2009 : Hervestiging van vluchtelingen uit Irak

Sinds 2003 bracht de oorlog in Irak een massale vluchtelingenstroom op gang richting Syrië en Jordanië. In 2008 bestond ongeveer 10% van de totale bevolking van beide landen uit Irakese vluchtelingen. Die hielden zich doorgaans op in de grote steden, waar ze terechtkwamen in een precaire situatie en te maken kregen met discriminatie, uitbuiting, seksueel geweld, gevangenschap en uitwijzing. Het ging daarbij heel vaak om kwetsbare personen, getraumatiseerd door de gebeurtenissen in hun land.

De oorlog in Irak zorgde er trouwens ook voor dat heel wat Palestijnen Bagdad ontvluchtten om een vrijwel zekere vervolging te ontlopen. Omdat Syrië in 2006 zijn grenzen had gesloten voor die nieuwe Palestijnse vluchtelingen, kwamen zij onvermijdelijk terecht in de Palestijnse vluchtelingenkampen aan de Syrisch-Irakese grens, met name al-Tanf, al-Waleed en al-Hol, stuk voor stuk plaatsen met heel moeilijke omstandigheden.

Het UNHCR schatte dat het Midden-Oosten op dat moment tachtig- tot honderdduizend uiterst kwetsbare Irakese vluchtelingen telde, voor wie hervestiging de enige mogelijke duurzame oplossing was.

Selectie

Die crisis zette de EU-lidstaten ertoe aan om hun hervestigingsactiviteit uit te bouwen en nieuwe projecten op touw te zetten. Ook de Belgische regering beantwoordde de oproep voor maatregelen. Op 13 februari 2009 startte ze met een pilootproject voor de hervestiging van een vijftigtal vluchtelingen uit Irak.

Op basis van een profielselectie van UNHCR trok een delegatie medewerkers van CGVS en Fedasil op selectiemissie in Syrië en Jordanië: de opdracht van het CGVS was om de geloofwaardigheid en haalbaarheid van de asielaanvragen te onderzoeken, terwijl Fedasil het sociale profiel analyseerde en de doelgroep informeerde over hervestiging. IOM tenslotte deed een eerste medische screening van de kandidaten.

Na afloop van de selectiemissie werd besloten om 47 vluchtelingen te hervestigen in België, waaronder:

  • 26 Irakese vluchtelingen (16 vrouwen en 10 kinderen) uit Syrië;
  • 10 (3 vrouwen en 7 kinderen) uit Jordanië;
  • 11 Palestijnen uit het kamp van al-Tanf.

Reis

Dankzij de inspanningen van de Dienst Vreemdelingenzaken en IOM landden alle vluchtelingen uit Amman en Damas op 2 september 2009 op de luchthaven van Zaventem, de 11 Palestijnen volgden op 23 september. Bij aankomst werden de vluchtelingen opgewacht door een kleine delegatie medewerkers  van het CGVS, Fedasil en IOM.

De vluchtelingen werd gevraagd om een correcte asielaanvraag in te dienen bij de Dienst Vreemdelingenzaken, waarna de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen hen het vluchtelingenstatuut toekende.

Opvangcentrum en opvolging

De vluchtelingen werden in eerste instantie ondergebracht in de federale opvangcentra van Pondrôme en Sint-Truiden, waar ze taallessen en een integratiecursus volgden. Mondjesmaat ruilden ze de centra in voor een individuele woning, mede dankzij de inspanningen van verenigingen zoals Vluchtelingenwerk Vlaanderen, Caritas, Solidarité socialiste en CAW De Terp Vluchtelingenwerk.

Na hun overplaatsing naar een privéwoning werden de hervestigde vluchtelingen nog 18 maanden opgevolgd door Fedasil, in overleg met de operationele partners. Die opvolging werd afgerond met een evaluatie van de acties ondernomen in het kader van dit pilootproject en mondde uit in een set aanbevelingen voor het pilootproject van 2011 en latere hervestigingsinterventies.